Overkoepelende thema's

Overkoepelende thema's

Een aantal overkoepelende thema’s raakt meerdere opgaven. Daarnaast bestaan crossovers tussen de opgaven. Het interbestuurlijk programma houdt overzicht over overlap tussen opgaven en tussen overlap met overkoepelende thema’s. Hieronder staat een aantal thema’s waarvan bekend is dat ze meerdere opgaven raken. In de verdieping en uitwerkingsfase worden de crossovers en overkoepelende thema’s verder in kaart gebracht.

Regionale gebiedsgerichte aanpak

In het regeerakkoord wordt ingezet op een sterkere samenwerking tussen regio’s en Rijk. Naast de thematische insteek die in dit Interbestuurlijk Programma centraal staat, gaat het dan ook over gebiedsgerichte samenwerking. Daarvoor zijn in het regeerakkoord ook verschillende instrumenten benoemd: o.a. regionale deals, city deals, de regionale envelop en regionale energie en klimaatstrategieën (REKs).

De samenwerking tussen regio’s en Rijk is belangrijk, omdat de regio in toenemende mate de relevante schaal is om maatschappelijke opgaven op te pakken. Regionale partijen (samenwerkende gemeenten, provincies, waterschappen, bedrijven en kennisinstellingen) en het Rijk hebben elkaar nodig om effectief en in samenhang deze regionale en nationale opgaven op te kunnen pakken. Door in ‘coalitions of the willing’ tot samenwerkingsafspraken te komen kunnen nationale en regionale agenda’s op elkaar worden afgestemd en deze kunnen elkaar versterken. Een breed scala aan opgaven kan daarbij aan de orde zijn: economie, arbeidsmarkt, onderwijs, vestigingsklimaat, woningmarkt, klimaatadaptatie, natuur, milieu, etc.

In de afgelopen periode is o.a. in het kader van Agenda Stad, de Proeftuinen Maak Verschil, de MIRT-tafels ervaring op gedaan met nieuwe vormen van samenwerking tussen regio’s en Rijk. In deze werkwijze is de (integrale) regionale opgave centraal gesteld en zijn daaromheen (interbestuurlijke) coalities gevormd die de opgave kunnen realiseren. Deze werkwijze zal met onder andere de inzet van de instrumenten deals en regionale envelop breder worden toegepast. Gebiedsspecifieke (regionale) opgaven die meer dan één overheid raken, zullen worden opgepakt op basis van een gezamenlijke analyse van de regionale knelpunten en kansen. Regio en Rijk kunnen vervolgens een ‘deal’ sluiten waarin zij (vernieuwende) oplossingen overeen komen en deze gezamenlijk uitvoeren. In de ‘deal’ kunnen, afgestemd op de regiospecifieke opgaven en omstandigheden, afspraken worden gemaakt over experimenteerruimte, (tijdelijke) uitzonderingen, de Omgevingswet, governance- arrangementen en/of financiële bijdragen.

Krimp en Bevolkingsdaling

Nederland kent 20 regio’s, veelal gelegen aan de randen van het land, die nu of in de nabije toekomst te maken hebben met bevolkingsdaling en huishoudensdaling. Deze krimp- en anticipeerregio’s zien zich gesteld voor leefbaarheidsproblematiek die zich manifesteert door sociale en fysieke problemen (verschraling van voorzieningen en leegstand). Een effectieve aanpak van deze problemen overstijgt al snel het gemeentelijke niveau. De krimp- en anticipeerregio’s dragen bij aan de nationale economische groei en bieden kansen voor bijdragen aan diverse nationale transitieopgaven, denk aan bijvoorbeeld de energietransitie en verstedelijking.

De aanpak van de gevolgen van bevolkingsdaling is een integraal vraagstuk en wordt dan ook als zodanig benaderd. Versterking van de krimp- en anticipeerregio’s vergt partnerschap van de overheden. Verkokerde manieren van werken vormen hierbij een valkuil. Vanuit het oogpunt van integraliteit worden in een regionale maatwerkaanpak verbindingen gelegd tussen domeinen. Het domein van de woningmarkttransitie kan niet los worden gezien van de economische versterkingsopgave waarvan onderwijs en arbeidsmarkt belangrijke pijlers vormen. Regionale krimpopgaven maken onderdeel uit van de gebiedsgerichte opgaven, waarop Regio en Rijk een ‘deal’ kunnen sluiten, zoals beschreven in bovenstaande paragraaf.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De druk op de leefomgeving vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen welke voortkomen uit urgente en grote opgaven, waaronder wonen, duurzame economie, energie & klimaat, bereikbaarheid, landbouw en natuur. In dit Interbestuurlijk Programma leggen we met de NOVI een koppeling tussen de opgaves 1 tot en met 4. Al deze opgaven spelen dwars door schaalniveaus, beleidsterreinen en bestuurlijke grenzen heen. De opgaven en ambities leggen allemaal een claim op de gelimiteerde leefomgeving, zowel in ruimtelijke zin als op aspecten als milieu, gezondheid, veiligheid en cultuurhistorie. Dit maakt keuzes en combinaties noodzakelijk. Keuzes die in gezamenlijkheid worden gemaakt over hoe de leefomgeving wordt ingericht en de manier waarop daar gebruik van wordt gemaakt nu en in de toekomst. Conform de Omgevingswet wordt gewerkt aan de Nationale Omgevingsvisie waarin de keuzes worden vastgelegd die op nationaal niveau worden gemaakt inzake de uiteenlopende belangen die claims leggen op de beperkte fysieke leefomgeving. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau wordt gewerkt aan Omgevingsvisies. Om de opgaven gezamenlijk daadkrachtig op te pakken is het van belang dat deze visies elkaar versterken en op elkaar aansluiten. Om de samenwerking te bekrachtigen, wordt aan de NOVI een bestuursakkoord gekoppeld. Vervolgens zal in de gebiedsgerichte Omgevingsagenda’s concreet invulling gegeven worden aan het gezamenlijk oppakken van de opgaven.

Europese Unie

Het interbestuurlijk programma richt zich op samenwerking voor grote maatschappelijke opgaven en hierin dient de EU te worden meegenomen. EU-beleid en regelgeving hebben een grote invloed op de beleidsvorming in Nederland. Een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid van de uitvoering en naleving van EU-beleid ligt bij de decentrale overheden. Het is daarom van belang dat alle bestuurslagen op EU-dossiers samenwerken om als Nederland optimaal effectief te zijn in het EU-besluitvormingsproces.

Samenwerking vraagt van zowel het Rijk als de decentrale overheden een inspanning: decentrale overheden moeten op concrete en bruikbare wijze hun expertise en belangen kenbaar maken, terwijl het Rijk ruimte moet bieden voor de inbreng van de decentrale overheden. Het is van belang dat Rijk en decentrale overheden op dossiers die voor alle bestuurslagen van belang zijn in een zo vroeg mogelijk stadium in het besluitvormingsproces deze samenwerking aanvangen, zodat de samenwerking voor alle fasen van de beleidscyclus (voorfase, onderhandelingen en implementatie) wordt versterkt. In de praktijk werken Rijk en decentrale overheden op specifieke dossiers al nauw samen.

Samenwerking vindt ook plaats binnen de Europese Agenda Stad (EAS), die er op gericht is om de invloed van decentrale overheden op Europees beleid en regelgeving te vergroten. Elf Nederlandse steden zijn rechtstreeks betrokken bij de Partnerschappen van de EAS. Deze partnerschappen doen op stedelijke thema’s aanbevelingen op het gebied van betere EU-regelgeving, financiering en kennis. In de “Taskforce EAS” stemmen departementen, koepels en leden van Partnerschappen onder leiding van het ministerie van BZK de Nederlandse inbreng en positie over voorstellen van de Partnerschappen af.

Afspraken

  1. Het Rijk en koepels verkennen op welke thema’s het Rijk en de decentrale overheden de samenwerking dienen te versterken. Te denken valt aan thema’s binnen dit Interbestuurlijk Programma, maar ook thema’s zoals regionale gebiedsgerichte aanpak (ESI-fondsen), milieu (o.a. klimaatadaptatie/mitigatie, circulaire economie), digitale interne markt en natuur/landbouw.
  2. Het Rijk en koepels verkennen welke nieuwe vormen van samenwerking van toegevoegde waarde kunnen zijn. Deze verkenning vindt plaats op basis van eerder gemaakte afspraken, zoals deze zijn neergelegd in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen van 2013, en de aanbevelingen uit het rapport ‘Samen sterk in Europa’[1]. Hierbij kan gedacht worden aan het betrekken van de decentrale overheden bij het opstellen van instructies voor de raadswerkgroepen en een meer strategische samenwerking op prioritaire thema’s. Daarnaast wordt ook verkend welke goed functionerende samenwerkingsvormen op EU-dossiers, zoals de interbestuurlijke dossierteams, die nu nog beperkt worden ingezet, uitgebreid kunnen worden naar thema’s die voor decentrale overheden van belang zijn.
  3. De minister van BZK zal op basis van deze verkenningen in 2018 een voorstel doen voor prioritaire thema’s voor versterkte samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden. In dit voorstel zal de minister ook aangeven op welke van deze thema’s nieuwe samenwerkingsvormen dan wel bestaande samenwerkingsvormen worden ingezet.
  4. Belangrijke voorwaarde om effectief invulling te geven aan de versterking van de samenwerking is dat de decentrale overheden voldoende capaciteit organiseren om snel en concreet inhoudelijke input te leveren op voor hen relevante dossiers.
  5. Er wordt een periodiek overleg georganiseerd tussen de permanente vertegenwoordiging bij de EU en de decentrale overheden over voor decentrale overheden relevante EU-dossiers en thema’s.

Het bovengenoemde voorstel van de minister van BZK en de voortgang op deze acties wordt besproken tijdens het periodieke Bestuurlijke Overleg Europa tussen de ministers van BZK, BZ en de koepels.

Grensoverschrijdende Samenwerking

De Commissiemededeling “Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s” (september 2017) maakt duidelijk dat het wegnemen van barrières voor grensregio’s leidt tot een verbetering van de economische groei in de grensgebieden. Rijk en koepels werken daarom samen om oplossingen voor knelpunten voor te stellen en uit te laten voeren. Zo zetten Rijk, provincies en gemeenten zich ten volle in bij de uitvoering van de actiepunten uit het rapport Actieteam Grensoverschrijdende Economie en Arbeid (januari 2017). Verder beziet het IPO in hoeverre voorstellen tot internationalisering van de Nationale Omgevingsvisie een bijdrage kunnen leveren aan de grensoverschrijdende governance. Over de inrichting van deze governance met Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen/België voeren momenteel de Commissarissen van de Koning van respectievelijk Groningen, Limburg en Zeeland een verkenning uit op verzoek van BZK, waarin ook de follow-up van het Actieteam zal worden meegenomen. Namens het kabinet brengt de staatssecretaris van BZK periodiek verslag uit aan de Kamer over de voortgang van de implementatie van de actiepunten uit het rapport van het eerdergenoemde Actieteam en over de voortgang en invulling van de grensoverschrijdende governance.

 

[1] Kamerstuk 34 300 VII, nr. 6.