Anne-Marie Willemsen (VWS) en Geert Schipaanboord (VNG): Ga niet zelf met de eer strijken

De jeugdhulp voor kinderen, jongeren en gezinnen wordt merkbaar en meetbaar beter: dat is het doel van het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd. Anne-Marie Willemsen en Geert Schipaanboord hebben samen keihard gewerkt aan dat programma. Zij als plaatsvervangend directeur Jeugd op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hij als coördinator Jeugd en Onderwijs bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Interbestuurlijke samenwerking in de praktijk dus. Hoe maak je die samenwerking tot een succes? Geert: ‘Houd steeds je gezamenlijke doel voor ogen. De samenwerking is slechts een middel om dat te bereiken.’ Anne-Marie: ‘Ga niet zelf met de eer strijken. Presenteer het eindresultaat echt als iets van jullie samen’. Een dubbelinterview over de do’s en don’ts van interbestuurlijk samenwerken.

Was deze samenwerking nieuw voor jullie?

Anne-Marie: ‘Nee. Vanaf begin 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de jeugdhulp. Rijk en gemeenten moeten sindsdien samen zorgen dat kinderen en jongeren de hulp krijgen die zij nodig hebben. Daardoor zijn wij al gewend om met elkaar samen te werken.’

Geert: ‘Begin 2018 bleek uit een tussenevaluatie van de nieuwe Jeugdwet dat de overheveling van de jeugdzorg naar de gemeenten op zich een goede stap is geweest. Toch krijgen nog niet alle jongeren en gezinnen op tijd de juiste hulp. Minister De Jonge en de VNG-bestuurders beloofden dat er snel een plan zou liggen om dat te verbeteren. Samen met anderen zijn Anne-Marie en ik aan de slag gegaan. Ruim twee maanden later was het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd klaar.’

Wat is de kracht van jullie samenwerking?

Anne-Marie: ‘Rijk en gemeenten hebben geen grote meningsverschillen over het doel van de Jeugdzorg. We vinden allemaal dat jongeren niet te lang op een gesloten afdeling moeten doorbrengen. Of dat onderwijs en zorg goed op elkaar moeten aansluiten. Een concreet gezamenlijk doel maakt samenwerken makkelijker dan wanneer je daarover van mening verschilt. Bovendien weten we elkaar goed te vinden, delen we veel met elkaar en zijn we ook open naar de betrokkenen in de praktijk.’

Geert: ‘We hebben inderdaad geen grote meningsverschillen, behalve wel eens over budgetten: gemeenten vinden soms dat er te weinig geld is voor de taken die zij moeten uitvoeren. Daar zijn we nog over in discussie. Maar we luisteren goed naar elkaar en we nemen elkaars belangen serieus.’

Hoe zijn jullie precies te werk gegaan?

Anne-Marie: ‘We hebben eerst in het hele land ronde tafels en later een 24-uursbijeenkomst georganiseerd met vertegenwoordigers van cliënten en sleutelpersonen die werken met en voor de jeugd. We vroegen hen of zij zich herkenden in de uitkomsten van de evaluatie. Samen hebben we zes actielijnen opgesteld. Bijvoorbeeld: betere toegang tot jeugdhulp voor kinderen en gezinnen. Of: meer kinderen zo veel mogelijk thuis laten opgroeien. Die actielijnen vormen de basis van het programma.’

Geert: ‘Het mooie is dat de actielijnen zo concreet zijn, dat alle betrokkenen zich erin herkennen. De lijnen maken duidelijk wat er aan de hand is, dat geeft structuur aan de gesprekken erover. En het vergroot het draagvlak voor de uitvoering van het programma.’

Wat maakt samenwerking tussen verschillende overheden tot een succes? En wat kun je beter niet doen?

Geert: ‘Besef dat de samenwerking alleen maar een middel is en houd steeds de groep waar je het voor doet voor ogen. Maak het vooral niet te breed of te groot. Bij de aanpak van kindermishandeling of van huiselijk geweld komt bijvoorbeeld zóveel kijken. Als je dat allemaal eerst in beeld wilt brengen, kom je nooit aan de slag. Zet liever kleine, haalbare stappen.’

Anne-Marie: ‘Wees open naar elkaar en vertrouw en respecteer de ander. Betrek ook altijd de werkers in het veld erbij. En bespreek hoe je het eindresultaat gaat presenteren. Laat niet één bewindspersoon of gemeentebestuurder met de eer gaan strijken, ook al is dat soms verleidelijk. Laat zien dat het een gezamenlijk resultaat is.’

Wat heeft de jongere die jeugdhulp nodig heeft aan jullie samenwerking?

Geert: ‘In directe zin niet zoveel. Ik hoor bij de ‘overhead’ in de jeugdhulp. Daarom vind ik dat ik mijn werk wel heel goed moet doen om mezelf terug te verdienen. Onze samenwerking heeft alleen zin als die eraan bijdraagt dat kinderen en gezinnen sneller de hulp krijgen die nodig is.’

Anne-Marie: ‘Die jongere moet inderdaad in de praktijk gaan merken dat hij of zij betere hulp krijgt. Daar doen we het voor. En dat kan maar op één manier lukken: als we het samen doen.’